drawings
paintings
graphics
installations
views
texts
books
agenda
cv
contact



1 > E  NL


stephen wright
lineair proces
2001

print text
 




Lineair proces


Gerasterd

We zitten vast, al willen we dit niet altijd even graag toegeven. Gevangen in een alomvattend en veelgelaagd raster, even oneindig breed als het lang is; in een matrix die het Bestaan zelf is. Het is een existentiële val waarin we gevangen zitten en waarvan onze dagelijkse besognes en het geestloze chauvinisme van de functionele rede ons kunnen afleiden, maar nooit bevrijden. ‘Of je het leuk vindt of niet, gevangen moet je worden’ (Like it or not, you must be caught), zoals het Engelse kinderrijmpje luidt, met een lichtelijk morbide ondertoon. Altijd al gevangen, in feite, in een raster dat onze permanente horizon vormt, die terugwijkt als we eropaf gaan en oprukt als we ons terugtrekken. Dit is het gevoel dat ten grondslag ligt aan het werk van Arjan Janssen, de diepmenselijke dimensie van zijn puur formele visuele idioom, de existentiële situatie die hij in zijn schilderijen en tekeningen bevattelijk probeert te maken. Zijn werk is intens melancholiek en zwaarmoedig en kenmerkt zich door een gebruik van spaarzame visuele middelen om deze gevoelsstructuur terug te brengen tot zijn essentie. Als zijn werk al een intrinsiek doel heeft, dan is het ongetwijfeld om ons onze toestand als mens weer bewust te maken en vraagtekens te zetten bij de manier waarop we onszelf via afleiding voor de gek houden om de realiteit van de dood niet onder ogen te hoeven zien. Psychoanalytici hebben een mooie term voor deze vorm van ontkenning, het niet waarnemen van wat zichtbaar aanwezig is: ‘negatieve hallucinatie’. Janssen hoopt ons te kunnen genezen van de gangbare, niet-pathologische maar wel metafysische vorm van dit verschijnsel. Het gebrek aan ernst en diepgang dat hij zo betreurt in het hedendaags bestaan heeft hem tot een manier van schilderen gebracht die zich verre houdt van ‘realisme’ en die de wereld niet alleen maar toont zoals hij is, maar een analytisch gevoelsraster achter de uiterlijke schijn tracht te creëren. Met andere woorden: zijn werk spruit niet voort uit visuele waarneming, maar conditioneert deze eerder. Al geven de obsessief symmetrische en gelaagde rasterpatronen Janssens werk zijn specifieke vorm, ze hebben dus geen specifieke betekenis of objectieve inhoud. Toch vertonen ze in hun stemming wel affiniteit met het concept dat werd ontwikkeld door Karl Jaspers om de absolute begrenzing achter alle relatieve horizonten te beschrijven. Das Umgreifende, het alomvattende, is, zoals Jaspers uitlegt, ‘niet een horizon waarbinnen elke bepaalde vorm van Zijn en waarheid aan ons verschijnt, maar eerder datgene wat alle afzonderlijke horizonten in zich bergt, iets alomvattends dat niet langer als horizon zichtbaar is’. In Janssens werk is het zichtbaar als een steeds weer opduikend raster, de vrucht van een doorgaand lineair proces.


Brabantse Hard-edge

Op het eerste gezicht – en in de kunst valt evenmin als in de liefde de impact van een eerste indruk te ontkennen – lijkt Arjan Janssen een Nederlandse schilder bij uitstek. Niet alleen vanwege het platte landschap en de lage horizonten in Nederland, die zo kenmerkend zijn voor dit land dat meer op een uitdijende buitenwijk lijkt, maar vooral vanwege de strengheid van de rasterlijnen, die onvermijdelijk de strenge Calvinistische moraal oproept waarop de Nederlandse cultuur is gegrondvest. Het is zeker niet onlogisch te menen dat de strakke lijnen die de doeken van Janssen bedekken voortkomen uit een culturele behoefte om terug te keren tot de naakte kern. De talloze lijnen waar zijn ingewikkelde rasters uit bestaan concentreren zich op het midden van het doek en zijn even zovele vectoren die terugverwijzen naar Piet Mondriaan, de onvermijdelijke voorganger van Janssen in Nederland, en nog verder terug naar een voortgaande traditie die sinds onheuglijke tijden lijnen (en niet kleur) beschouwt als de bron van de visuele intelligentie in de kunst. Toch zijn Mondriaans hoogmodernistische zoektocht naar absolute zuiverheid en diens minachting voor het geringste spoor van verfraaiing het werk van Janssen volkomen vreemd. Het is weliswaar allesbehalve sierlijk, maar bij nadere bestudering blijkt dat zijn doeken vol dingen zitten om naar te kijken – en van te genieten. Het is in dit verband misschien vermeldenswaard dat Janssen deel uitmaakt van het katholieke volksdeel in Nederland, en – deze logica doorvoerend – wat hij ook is, in elk geval toch een Brabantse abstractionist. Al kan een inherente formele dualiteit nooit helemaal verklaard worden vanuit een culturele dualiteit, men kan er moeilijk omheen te constateren dat in zijn werk katholieke smaak wordt begrensd door een protestantse moraal; net zoals de rationele geometrie van de abstractie wordt getemperd door een menselijke, schilderachtige toets.
Ondanks de subtiele toonschakeringen is Janssens palet somber, donker, lichtabsorberend. Als kunstenaar stelt hij zich echter de opdracht uit zo spaarzaam mogelijke middelen het maximum te halen. Met andere woorden, al is zijn visuele idioom sober, de resultaten zijn verrassend melodieus. Het lineaire proces dat leidt tot de tekeningen op groot formaat vergt van de kunstenaar beslist fysieke inspanning, want iedere baan van het raster bestaat uit zo’n 150 krijtlijnen, die elk tien keer zijn overgedaan. Terwijl Janssen dus enerzijds elk expressief gebaar afwijst, elke expressie uitbant om een rigoureus onpersoonlijke toestand te bereiken, laat hij aan de andere kant subtiele maar opzettelijke sporen van het tekenproces zichtbaar – visuele aanwijzingen die de kijker uitnodigen tot een detectiveachtig onderzoek naar het maakproces. Ook in de schilderijen op groot formaat vinden we zowel een ernstige en methodische onderdrukking van schilderachtige subjectiviteit en subtiele maar bewuste sporen van het schilderproces – penseelstreken en andere ‘anomalieën’, die een pure hard-edge schilder ongetwijfeld zou afwijzen. En in de tekeningen op groot formaat blijkt de indruk van dwingende geometrische starheid die van veraf ontstaat, bij nadere bestudering verstoord te worden doordat het papier op de plaatsen waar de lijnen elkaar steeds opnieuw kruisen enigszins afgesleten is en met looddeeltjes bespat. Dit is de structurele paradox die de beeldtaal van Arjan Janssen zo uniek maakt.


Abstractie van het stadslandschap

Picturaal gezien staat het werk van Arjan Janssen ergens tussen de hard-edge geometrische abstractie (belichaamd in modernistische iconen als Ellsworth Kelly) en een meer rechttoe rechtaan schilderkunstige opvatting, waarbij bijvoorbeeld de verticale rasters van de gevels van wolkenkrabbers worden afgebeeld – die onbetwiste iconen van de modernistische stedelijke architectuur. Zo bezien kunnen zijn rasterlijnen worden doorgetrokken naar de moderne traditie van het schilderen van stedelijke landschappen, waarin vaak kritiek doorklinkt op de vervreemding die de eendimensionale rationaliteit van de moderne architectuur met zich meebrengt, en die men associeert met een schilder als Yves Bélorgey. Het idioom van Janssen mag dus abstract zijn, maar hij houdt zich bezig met het door de mens gemaakte en zijn werk echoot de strakke lijnen van de modernistische architectuur; vandaar het raster.
Rosalind Kraus geeft een verklaring voor de opvallende taaiheid van het raster in het twintigste-eeuwse schilderen, door te beschrijven hoe het in feite de moderniteit verkondigt van de werken waarin het verschijnt. Dat doet het, beweert ze, zowel ruimtelijk gezien als in de tijd: ruimtelijk gezien onderstreept het raster de autonomie van de kunst: in zijn tweedimensionaliteit, geometrie en ordening laat het zien hoe de kunst eruitziet als zij de natuur de rug toekeert. In de tijd gezien geldt het raster als het symbool bij uitstek van de moderniteit, juist omdat het in de moderne kunst een alom aanwezige vorm is, een vorm die voorheen in het schilderen vrijwel onbekend was, en waarmee de schilders van het modernisme in het heden terechtkwamen. Men zou het kunnen zien als de belichaming van een onkwetsbaar en waarlijk modernistisch trotseren van de tijd: het onbuigzame lineaire ritme van het streng geometrische oppervlak moet onaantastbaar lijken. Met zijn keuze voor rechthoekige rasters als belangrijkste compositie-element in zijn schilderkunstig vocabulaire, zou men verwachten dat Janssen moeilijk een strengere, om niet te zeggen sterielere
schilderkunstige opvatting had kunnen kiezen. Want wat kan er minder bevorderlijk zijn voor ontwikkeling dan zulke rasters? Toch is het nu juist deze ogenschijnlijke starheid die het werk zijn diepgang, zijn reikwijdte verleent, ook al bakent zij tegelijkertijd het terrein af waarop het actief kan zijn. Janssens werk is formeel ambitieus, maar tevens uitzonderlijk geconcentreerd: door zich in zijn middelen te beperken wint het aan passie. De formele ingreep die hij toepast om de beperkingen van het raster te overwinnen is de rasters over elkaar leggen. Drie over elkaar gelegde reeksen dooreengevlochten banen introduceren de illusionistische ruimte in het abstracte veld. Ze articuleren een ruimte die zowel gelaagd is als illusionistisch, die diepte suggereert en tegelijkertijd het volume afzweert. Toch gaat het in zijn schilderijen niet zozeer om diepte als wel om het graven – en wordt het initiatief aan de beschouwer gelaten. Het oog klautert over drempels, kronkelt tussen de beeldvlakken van de drie over elkaar gelegde rasters, op zoek naar het terugwijkende binnenste beeldvlak; alsof het zijn uiteindelijke doel is een onmogelijk standpunt in te nemen en zo het raster vanaf de andere kant te aanschouwen.
Janssens werk vereist – en beloont – een geduldige beschouwing. Op vijf meter afstand ademen de werken een consequente eigenzinnigheid. Als we dichterbij komen zien we dat het oppervlak wemelt van de sporen en de rusteloze energie van hun totstandkoming: op vijftig centimeter afstand valt het werk uiteen in talloze waarnemingen. Als we weer achteruit lopen trekt het materiaal zich terug en herneemt de vorm haar voorrechten. Ergens daartussen springt de blik heen en weer tussen deze twee niveaus, waarbij de rasterpatronen het oog meetrekken naar de diepste diepten van het oppervlak.


Stephen Wright.